Start here

Advertenties

Jappen en een pijnlijke geschiedenis

15 augustus 2015, herdenking van de Japanse capitulatie zeventig jaar geleden en een stoet van herinneringen aan jappenkampen, de bersiap (de stomme ‘e’ tenenkrommend uitgesproken) en de kille ontvangst in Nederland trekt voorbij in de media. Opmerkelijk dat er juist op deze dag waarop de Japanse misdaden expliciet worden uitgesponnen in tenminste één interview, de NRC verschijnt met een minispecial over de ‘politionele’ acties en het afscheid van ‘ons’ Indië. Een pijnlijke geschiedenis is de titel. Daarin klinkt de echo van een notitie die de minister der koloniën Idenburg aan het begin van de vorige eeuw maakte op het Rhemrev rapport. Hij schreef op het rapport: ‘Een treurige geschiedenis van lijden en onrecht’. Vervolgens verdween het vele decennia uit het zicht terwijl de treurige geschiedenis voortduurde. Net zoals de meer recente pijnlijke geschiedenis onder druk van belangengroepen snel uit de publiek aandacht werd gepoetst met nietszeggende maar gewichtig klinkende rapporten en ‘onderzoeken’.

Het Rhemrev rapport is het verslag van een onderzoek ter plaatse door de officier van justitie mr. J.T.L. Rhemrev naar de behandeling, over liever, mishandeling en uitbuiting van de Chinese en Javaanse koelies op de tabaksplantages van Sumatra’s oostkust. Een situatie die in meer of mindere mate voortduurde tot aan de Japanse invasie. De socioloog Jan Breman bracht het rapport weer in de openbaarheid en integreerde het in zijn werk Koelies, planters en koloniale politiek. Daarin kwam hij tot de conclusie dat die misdaden begaan tegen de koelies structureel van karakter waren én met medeweten van de koloniale overheden werden begaan. De gedetailleerd beschreven misdaden zijn makkelijk te plaatsen in de categorie van de Japanse misdaden. De misdaden begaan tegen dwangarbeiders bij de aanleg van de Sumatraweg, beschreven door Bruinink-Darlang in haar dissertatie over het penitentiaire stelsel in Indië, evenaarden die van de Birma spoorweg.

Het is alleszeggend dat een Zwitserse historicus aan toont dat het geweld van de Nederlandse militairen tegen burgers en gepleegd buiten gevechtshandelingen structureel was en zo niet stiekem aangemoedigd, dan toch wel gedoogd door de verantwoordelijke leidinggevenden. Onze eigen historici doken weg achter de ‘vaderlandse plicht’ van de 100.000 veteranen. De Japanse historici hadden in de zeventiger jaren van de vorige eeuw in ieder geval het lef om het gebeuren in Nanking onder de loupe te leggen en te concluderen dat daar vele duizenden zijn vermoord door Japanse troepen. Jammer genoeg gingen een etnisch Chinese Amerikaanse (2e generatie) en de Chinese communisten met het debat aan de haal. Zij om haar zoektocht naar identiteit met een sprookjesboek op te leuken, de communisten uit louche politieke motieven en ordinaire chantage doeleinden. Het resultaat is dat het nu vrijwel onmogelijk is objectief academisch onderzoek naar de rape of Nanking te doen zonder door deze of gene partij voor rotte vis of erger te worden uitgemaakt.

Nederland kwam er mee weg. Zoals ook de meeste toenmalige imperialistische grootmachten nauwelijks of geen verantwoording hebben afgelegd voor het leed dat ze hebben aangericht tijdens de bouw van hun koloniale rijken. Japan heeft moeten betalen met brandbommen op haar steden die onvoorstelbaar veel burgerlevens heeft gekost. Met 2 atoombommen die behalve het wegvagen van honderduizenden nog tot op de dag van vandaag hun tol eisen van de overlevenden en hun nageslacht. Japanners kregen een grondwet opgelegd waar ze nauwelijks of geen zeggenschap hadden in het schrijven ervan. Hen werden vreemde cultuur concepten door de strot geduwd. Ze zagen hoe flexibel hun bezetter omging met recht en rechtvaardigheid toen degenen die zich schuldig hadden gemaakt aan ernstige oorlogsmisdaden om opportunistische redenen vrijuit gingen terwijl anderen die in feite niets ten laste kon worden gelegd via een gekunstelde constructie tot oorlogsmisdadiger werden bestempeld en opgehangen. Én tot in de lengte der dagen wordt Japan de misdaden – al dan niet overtrokken en al dan niet verzonnen – nagedragen.

Als advocaat van de duivel vraag ik: wat deed Japan anders dan wat b.v. de toenmalige grootmachten deden voor, tijdens en na de oorlog? Wat is het verschil tussen onze politionele acties en de Japanse reactie op 1. de massaslachting van Japanse en Koreaanse burgers in Tongzhou door Chinese troepen in de opmaat naar de oorlog in Azië; 2. de voortdurende guerrilla activiteiten tegen Japanse belangen en burgers in Mantsjoerije? Want dat zijn de katalysatoren die de Japanse militairen in actie deden komen. Als men spreekt over de Japanse invasie van China, over welk China hebben we het? Beijing van de machteloze Qing keizer? Het China verdeeld over diverse warlords, de communisten, de Kuomintang en de toenmalige imperialistische grootmachten? Waarom spreekt men in het geval van Nederland en Indonesië over politionele acties en in het geval van Japan en China over een invasie?

Moet Nederland nu ook vele malen sorry zeggen? Voor mij hoeft het niet, hoewel het mooi zou zijn als Nederland wel zijn schulden (Traktaat van Wassenaar, de opbrengst van de verkoop van Birma spoorweg materiaal ten behoeve van de dwangarbeiders door de Britten aan Nederland overgemaakt, om maar wat te noemen) zou betalen. In tegenstelling tot wat de deelnemers van de maandelijkse demonstratie voor de Japanse ambassade beweren, heeft Japan zijn schulden wel degelijk betaald: in geld en in mensenlevens. Ik koester weinig sympathie voor Abe, maar als hij klaar zegt te zijn met sorry zeggen kan ik hem geen ongelijk geven. Ik had mijn middelvinger decennia geleden al opgestoken.

Advertenties

De duistere redenen van Leo Tho Neijenhuijs

Leo Tho Neijenhuijs, voorzitter Bond van Ex-geïnterneerden en Gerepatrieerden van Overzee (BEGO), schreef 10 maart jl. op de site van Indisch4ever een artikel met als titel De Japanse legerorder In dat artikel beweert hij dat er vanuit het Japanse oppercommando ooit een bevel zou zijn uitgegaan om alle gevangenen, zowel krijgsgevangenen als burger geïnterneerden, om te brengen. Hij verwijst daarbij naar een Japans legerdocument dat wat hem betreft de smoking gun is. Het document werd ooit door de zichzelf historicus noemende Linda Goetz Holmes als hèt bewijs van een voorgenomen Japanse holocaust gepresenteerd. Ze zou het naar eigen zeggen hebben ontdekt in de National Archives and Records Administration. Volgens een artikel in de Telegraaf van 20 december 1997 hoort het tot de “topgeheimen” om met name de keizer buiten schot te houden.

De heer Neijenhuijs begint zijn artikel met de verzuchting dat helaas de “legerorder” om alle gevangenen te vernietigen om hem “nogal duistere redenen” door “bepaalde lieden” ontkend wordt. Welnu, aangezien ik mij aangesproken voel zal ik proberen de nogal duistere redenen voor hem c.s. toe te lichten. Te beginnen met het document. Neijenhuijs merkt terecht op dat het document al bekend is, en wel als bewijs tijdens het Tokyo Tribunaal. Hij verwijst naar Van Velden die een deel vertaling van het document heeft opgenomen in haar dissertatie. [1] Dat spreekt het karakter van een “topgeheim” tegen. Immers het document, waarvan een deel als bewijsstuk bij het Tokyo Tribunaal diende, was en is openbaar. Het feit dat Van Velden het in haar dissertatie kon opnemen onderstreept dat het publiekelijk toegankelijk was en is.

Neijenhuijs, maar ook de door hem gerefereerde Rinzema-Admiraal [2], noemen het een legerorder. Een order van het Japanse opperbevel, wel te verstaan. Maar als ik het op zoek in Van Velden staat er boven de deelvertaling in hoofdletters van een groot lettertype: UIT HET JOURNAAL VAN HET TAIWAN KRIJGS-GEVANGENENHOOFDKWARTIER IN TAIHOKU. Een journaal is m.i. geen legerorder en het hoofdkwartier voor krijgsgevangenen in Taiwan is niet het opperbevel van het Japanse leger. Een journaal is een soort logboek en in dit geval heeft het alleen betrekking op de krijgsgevangenen in Taiwan. Om het een en ander in een juist perspectief te plaatsen heb ik het document in zijn geheel vertaald

Het origineel

Doc2701-pg2-Exh-O-final-72dpiDoc2701-pg1-Exh-O-final-72dpi

Beschrijving van het document:

Twee bladzijden

Rechts boven: Reproduced at the national archive

Rechts onder: Landmacht (ryuku gun)

2e bladzijde linksboven: een stempel met 9 Jan 1947; onleesbare handtekening en daaronder “clerk of the court”

Vertaling

1 augustus (jaar aanduiding ontbreekt)
Helder weer

Navolgend is de kennisgeving van dagorder nr. 105 Taiwan Krijgsgevangenen (kamp).

  1. (Dag)geld voor de tijdelijk als schrijver voor de hoofd lokatie aangestelde Umemoto Mitsuru (toegevoegd op 23 juli) 1 yen en 30 sen. Dit daggeld zal aan hem worden betaald

Lokatie nr. 4

Als kampbewakers gedetacheerd bij de landmacht aangesteld voor deze lokatie met een maandgeld van 36 yen: Miyagawa Tadashi, Ōkura Tatsuo, Kawamura Teruyoshi

  1. Kampopzichter gedetacheerd bij de landmacht op lokatie nr. 1 Ch’en K’ai-yung. Toegevoegd 12 man buitenlandse [=niet Japans] bewakers hoogste klasse
  2. Idem,  Yeh Yu-teh. Toegevoegd 103 (?) [slecht leesbaar] man buitenlandse bewakers 1e klasse
  3. Idem, Yü Ch’ing-wen. Toegevoegd 26 man buitenlandse bewakers 2e klasse

Bewaking (2)

Het volgende antwoord betreffende de bijzondere maatregelen t.a.v. de krijgsgevangenen is verstuurd aan de commandant van de elfde eenheid (Taiwan krijgsgevangenen bewaking nr. 10):

In de huidige omstandigheden moet men in geval van alleen een bombardement of calamiteit e.d. tijdelijk schuilen in een vlakbij gelegen school, warenhuis of soort gelijke gebouwen. Wanneer de omstandigheden bedreigend en buitengewoon serieus (worden) dan sluit men de gevangenen onder strikte toezicht op in hun huidige lokatie en bereidt men de volgende en finale maatregelen voor.

Gelegenheid en methode (voor het toepassen) van de maatreglen:

Gelegenheid

Het is de bedoeling dat het toepassen van de maatregelen op bevel van een meerdere  gebeurt, maar in de volgende situaties kunnen ze naar eigen inzicht worden toegepast:

    1. in geval een massale en geweldadige opstand [van de gevangenen] niet met militaire middelen is neer te slaan
    2. in geval [de gevangenen] ontsnappen en een vijandige macht worden

Methode

  1. past de maatregelen naar gelang de omstandigheden van het moment toe: gebruik zwaar geschut, gifgas, gif, verdrinking, onthoofding, individueel of groepsgewijs al naar gelang de situatie;
  2. wat de gelegenheid ook is, elimineer (iedereen) en laat geen enkel soldaat ontsnappen zorg ervoor dat er geen enkel spoor achter blijft

Bewaking (3)

Aan de legercommandant

Aan de commandant van de militaire politie (kenpei shireikan)

[Hierbij] rapport (melding) van de besprekingen met het elfde korps, het hoofdkwartier in Fort Keelung en elk district met betrekking tot de bijzondere maatregelen voor de Taiwan krijgsgevangenen kampen.

Achtergebleven goederen (4)

Van Lokatie 6

Ontvangen 2 stuks nagelaten bezittingen van de op 27 juli overleden krijgsgevangene Engelse artillerie soldaat William Barton

Disciplinaire maatregelen tegen krijgsgevangenen (5)

Bijgevoegd in volgorde de gevallen van disciplinaire maatregelen tegen krijgsgevangenen van lokatie 6.

  1. Krijgsgevangene korporaal 1e klasse, Engelse landmacht, Charles Knight en artillerie soldaat Henry Erderitch/Eldritch voor plichtsverzaking tijdens de nachtdienst drie dagen strenge detentie
  2. Amerikaanse landmacht soldaat Keyarus Holy(?) voor ongehoorzaamheid tijdens het werk drie dagen strenge detentie

Ter referentie de vertaling van het IMFTE zoals opgenomen in Van Velden:

1 August 1944. The following answer about the extreme measures for prisoners of war was sent to the Chief of Staff of the 11th Unit. (Formosa Prisoners of War Security no. 10)

Under the present situation if there were a mere explosion of fire a shelter for the time beiing could be had in nearby buildings such as a school, a warehouse, or the like. However, at such time as the situation became urgent and it be etremely important, the prisoners of war will be concentrated and confined in their present location and under heavy guard the preparation for the final disposition will be made.

The time and method of this disposition are as follows:

The time:

Although the basic aim is to act under superior orders, individual disposition may be made in the following circumstances:

  1. When an uprising of large numbers cannot be suppressed without the use of firearmes;
  2. When escapees from the camp may turn into a hostile fighting force

The Methods:

  1. Whether they are destroyed individually or in groups, or however it is done, with mass bombing, poisonous smoke, poisons, drowning, decapitation, or what, dispose of them as the situation dictates.
  2. In any case it is the aim not to allow the escape of a single one, to annihilate them all, and not to leave any traces.

To: The commanding General
The commanding General of Military Police
Reported matters conferred on with the 11th Unit, Kiirun Fortified Aria H.Q. and each prefecture concerning the extreme security in Taiwan Prisoners of War Camps.

Het moge duidelijk zijn dat er opvallende verschillen zijn tussen de vertaling die Neijenhuijs geeft (zie appendix) en mijn vertaling van het document. De IMTFE vertaling en de mijne komen vrijwel overeen.

Neijenhuijs schrijft in zijn stuk:

De datum 1 augustus 19xx geeft aan dat het jaar nog moet worden ingevuld. In het oorspronkelijke document is dat getypt als 1944[…]

Een blik op het oorspronkelijke document maakt duidelijk dat het handgeschreven is en dat de door Neijenhuijs genoemde ‘1 augustus 19xx’ nergens te bekennen is. Het is mogelijk dat hij refereert aan een vertaling, maar dat is niet duidelijk. In de vertaling zoals Van Velden het heeft opgenomen komt het jaartal wel voor. Ik neem aan dat de rechtbank vertaler dat met andere documenten dan wel getuigenverklaringen heeft geverifieerd. Maar zeker is het niet. Rechtsboven staat:

[Rechts boven, 1ste bladzijde] Lezend van rechts naar links en van boven naar beneden: hachigatsu ichinichi sei ten (八月一日 晴天) achtste maand eerste dag=1 augustus helder weer.

Taiwan Jrnl part

We stellen vast dat het jaartal ontbreekt.

In de vertaling die Neijenhuijs citeert komt het volgende voor:

(3) Aan de Commandant Generaal. De Commandeur Generaal van de Militaire Politie.

Genoemde regelingen zullen besproken worden (mijn onderstreping – DSJ) met de 11de Unit van de Kiirun Strijdkracht Hoofdkwartier en alle hoofden van politie over de extreme veiligheid in Krijgsgevangenen kampen.

3. (Daarna volgen artikelen over de laatste wil van overleden krijgsgevangenen) (mijn onderstreping – DSJ).

Het verschil met de oorspronkelijke Japanse tekst is opmerkelijk groot.  In de Japanse tekst staat dat de besprekingen met de genoemde autoriteiten gemeld zijn, niet dat ze zullen worden besproken. Ook is er geen sprake van een laatste wil van overleden gevangenen maar wordt slechts vermeld dat er goederen zijn ontvangen van een bij name genoemde krijgsgevangene. Deze  onjuistheden in de vertaling zoals Neijenhuijs die weergeeft rechtvaardigen ernstige twijfel aan de juistheid van zijn bewering: dat het Japanse opperbevel een algemene order tot liquidatie van alle gevangenen heeft uitgevaardigd. Die bewering heeft hij immers voor een belangrijk deel gebaseerd op de klaarblijkelijk onjuiste vertaling dan wel onjuiste weergave van de vertaling.

Er is meer dat zijn bewering twijfelachtig maakt. Neijenhuijs verwijst naar blz. 501 en verder van Van Velden’s dissertatie De Japanse burgerkampen om zijn bewering – een Japans liquidatie plan – te onderbouwen. Maar daarin kom ik een aantal zaken tegen die de theorie van een algemene liquidatie eerder tegenspreken dan bevestigen. Er zijn instructies voor het ombrengen van krijgsgevangenen als de situatie kritiek wordt (blz 501) en er is sprake van lokaal te nemen beslissingen. Het ministerie van oorlog adviseerde wel dat als men tot “bijzondere maatregelen” over ging men geen sporen achter moest laten. Dat geeft aan dat autoriteiten in Tokyo tot op een bepaald niveau rekening hielden met de kans dat lokale legereenheden tot dergelijke extreme maatregelen over gaan, of zijn overgegaan. Er blijkt niet uit dat die maatregelen vanuit het hoogste echelon zijn bevolen. Voorts blijkt dat het een en ander aan de lokale commandanten wordt overgelaten, wat een algemene order of richtlijn analoog aan de Wannsee conferentie tegenspreekt. Tenslotte zijn er uitdrukkelijke instructies wanneer  gevangenen vrij te laten en hen dan van een voedselrantsoen te voorzien. [3] Wat ook niet strookt met een plan om alle gevangenen te doden.

De instructies in het Taiwan journaal maken duidelijk dat de bijzondere maatregelen – de liquidatie van de gevangenen – in een uitzonderlijke situatie kunnen worden toegepast. M.a.w. het doel is niet zo zeer de dood van de gevangenen – hoewel dat natuurlijk het gevolg is –  maar de veiligheid van de eigen troepen. Dat ontkracht de suggestie van Neijenhuijs c.s.: een holocaust in de stijl van de nazi’s. Daarvan  was het doel het uitroeien van mensen om het uitroeien zelf. Het element van een door omstandigheden gedreven liquidatie zien we ook in de concept regeling t.a.v. gevangenen op Java van kolonel Masugi [4] en de instructies van het ministerie van oorlog [5]. De laatsten waren geen instructies om gevangenen te doden. Er spreekt zelfs een afwijzende houding t.a.v. dergelijke maatregelen uit maar tevens de realisatie dat centrale autoriteiten geen werkelijke macht hebben over het leger. De instructies geven aan dat men bezorgd is over de repercussies van dergelijke extreme maatregelen. Het behoeft geen betoog dat het nog steeds een verwerpelijk beleid is. Maar waar het hier om gaat is niet de immorele intenties van de verschillende Japanse officieren maar de intentie van de heer Neijenhuijs c.s.: het erger maken dan het was, desnoods met wat fantasie en door een aangepaste versie van historische documenten te presenteren.

In de concept regeling van Masugi ligt de nadruk op krijgsgevangenen. Van de burgergeïnterneerden betrof het alleen de gezonde mannen die of naar Japan of naar West Java gestuurd moesten worden. Er is nergens sprake van een gelijkschakeling van krijgsgevangenen met geïnterneerde burgers. Het geheel wekt de indruk van improvisatie en ad hoc beleid; enigszins kenmerkend voor de Japanse strijdkrachten [6]. Waarschijnlijk vindt dat zijn oorzaak in het chronische factionalisme en onderlinge strijd die eigen zijn aan die organisaties.

Het duistere karakter waaraan de heer Neijenhuijs refereert kleeft niet aan de redenen van hen, die niet geloven dat de Japanse leiders aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een algemeen bevel hebben doen uitgaan om alle gevangenen te liquideren, maar aan de motieven van mensen als de heer Neijenhuijs om het imperialistische verleden van Japan een nazi bruin karakter te geven niet tegenstaande voorliggende aanwijzingen en bewijzen van het tegendeel. Kousbroek heeft ten minste een belangrijke duistere reden genoemd: racisme [7].Racisme geworteld in het geloof dat de westerse beschaving de maat aller dingen is en de blanke mens superieur met een god gegeven opdracht over de niet westerse wereld te heersen. Maar ook het eigen verleden verbergen achter het vergroten en vertekenen van de op zich al voldoende negatieve aspecten van het Japanse imperialistische verleden. Tenslotte is er  het lijden van de (groot)ouders als onderdeel van de eigen identiteit en – voor de cynici onder ons – om een anders onbetekenend bestaan enige glans te geven.

Ik zal niet nalaten te blijven wijzen op de noodzaak dat verleden te beschouwen in het kader van het imperialisme zoals dat op kwam en zich verspreidde in de 19e en 20e eeuw.  En de daarbij horende pertinente vragen: had Japan een andere optie dan die van kolonie of imperialist zijn? Wat was de rol van de westerse imperialistische machten, inclusief de Verenigde Staten en Nederland, in die geschiedenis? Waarom hameren op en overdrijven en fantaseren Neijenhuijs c.s. de Japanse misdaden terwijl Nederland weigert het eigen koloniale verleden en de in dat kader bedreven misdaden onder ogen te zien? Laten we wel zijn, Japan is de enige voormalige kolonisator die een hoge prijs heeft betaald voor zijn imperialistische avonturen. Daarbij kan het met enig recht zeggen dat het niet geheel vrijwillig de weg van het imperialisme is op gegaan. De heer Neijenhuijs en de zijnen zouden het Japanse imperialistische verleden moeten vergelijken met dat van de andere koloniale grootmachten; als ze objectief zijn dan zouden ze zien dat overeenkomsten de verschillen ver overtreffen. Maar misschien weten ze dat al en blijven ze daarom op de Japanse misdaden wijzen en verzinnen ze er zelfs een paar bij indien nodig. De splinter in het oog van de ander is nog altijd te prefereren boven de eigen balk.

Dit alles wil niet zeggen dat de instructies om gevangenen te doden zodra de situatie bedreigend wordt voor de eigen troepen goed te praten zijn. Ze zijn moreel verwerpelijk en vormen ontegenzeggelijk een oorlogsmisdaad indien uitgevoerd. Maar dat is wat anders dan een algemeen plan om alle gevangenen om te brengen zoals Linda Goetz Holmes, en in navolging, Rinzema-Admiraal en Neijenhuijs beweren. De instructies die van het middenkader van het Japanse leger afkomstig lijken te zijn, zijn van de zelfde categorie als de carte blanche die Westerling kreeg van de Nederlandse regering en het feit dat de geallieerde strijdkrachten geen Japanse krijgsgevangenen wilden maken. [8]

============================================
1. Van Velden, De Japanse burgerkampen, Wever, Franeker, (3e druk, 1977;1ste ed. 1963) blz.586
2. Zij baseert zich op Linda Goetz Holmes
3. Van Velden, Op. Cit., blz. 588
4. Ibid., blz. 584
5. Ibid., blz. 586-587
6. Dower, John W., War without Mercy; Race & Power in the Pacific War, Pantheon Books, New York,1986, blz.59
7. Kousbroek, Rudy, Het Oostindisch kampsyndroom, Meulenhoff, Amsterdam, 1992, blz. 327-328
8. Dower, John W., Op. Cit., blz.11
============================================
Appendix:

De vertaling gegeven door Neijenhuis

In het oorspronkelijke document is dat getypt als 1944 en het nummer 2015 is met potlood in de bovenste hoek rechts geschreven. Verder werden geen merktekens aangetroffen (NARA, RG 238 Box 2015)

1. (Inleiding over geld, bevorderingen van Formosanen in bijbehorende kampen, inclusief de promotie van Yo Yu-teku tot 1ste C.I. Keibiin) 5 inleidingen. [het betreft geen bevorderingen maar toewijzing van lokaties; de transliteratie van de Chinese naam is Japans en niet correct – de Japanse weergave moet Yo Yu Toku zijn. Cf. mijn vertaling – DJS]

2. Het volgende antwoord over de extreme maatregelen voor Krijgsgevangenen werd gezonden naar de Chef-staf van de 11de eenheid (Formosa veiligheid voor krijgsgevangenen nr. 10).
3. Onder de huidige omstandigheden wanneer er een enkele explosie of een brand komt, kan er tijdelijk een schuilplaats worden ingericht in nabijgelegen gebouwen zoals een school, een schuur of iets dergelijks. Echter, wanneer de situatie op dat moment dringend is en bijzonder belangrijk, moeten de Krijgsgevangenen bijeen gebracht worden en opgesloten worden in hun huidige locatie en onder strenge bewaking worden gehouden tot een definitieve maatregel is getroffen.

De tijd en de methode van deze regeling is als volgt.
1) Tijd
Hoewel uitgangspunt is om naar de orders van hoger hand te handelen, mogen individuele maatregelen worden genomen bij de volgende omstandigheden.
(a) Wanneer een opstand van een groot aantal niet kan worden onderdrukt door het gebruik van vuurwapens.
(b) Wanneer de ontsnapping uitwerkt tot vijandige gevechten.
(2) De Methoden
(a) Zij kunnen vernietigd worden individueel of in groepen, of hoe dan ook, met massabombardementen, vergassing, vergiftiging, onthoofding, of hoe dan ook, afhankelijk van de situatie die zich voordoet.
(b) In ieder geval is het uiteindelijk doel om niet een van hen te laten ontsnappen, hen allen te vernietigen en geen sporen achter te laten.
(3) Aan de Commandant Generaal.De Commandeur Generaal van de Militaire Politie.

Genoemde regelingen zullen besproken worden met de 11de Unit van de Kiirun Strijdkracht Hoofdkwartier en alle hoofden van politie over de extreme veiligheid in Krijgsgevangenen kampen.

(Daarna volgen artikelen over de laatste wil van overleden krijgsgevangenen).

How about atombomb revisted

Het Oostindisch kampsyndroom van Rudy Kousbroek was voor mij, om het maar eens met een goede Angelsaksische term te zeggen, een eye opener. In zijn essays legde Kousbroek feilloos de vinger op diverse zere plekken. Hij  laat het racisme, de eigendunk, rancune en zelfrechtvaardiging zien van voormalige geïnterneerden van de Japanse kampen, hun erfgenamen, of zij die zich als erfgenamen opwerpen, en de verongelijkte tuans besar die als gevolg van de Japanse bezetting, hun privileges horend bij de status van half god, verloren. Hij legde de leugens en hypocrysie in de verhalen over de Japanse bezetting van Nederlands-Indië genadeloos bloot en als voormalig geïnterneerde heeft hij het morele gewicht.

Een rondgang langs de zgn. “Indische” sites laat zien dat de meeste essays in Het Oostindisch kampsyndroom nog steeds geldingskracht hebben. Maar er is een essay die de beperkingen van dat moment verraadt en een blinde vlek van Kousbroek laat zien. Een dode hoek die cultureel of door de tijdsgeest lijkt te zijn bepaald.  In How about atombomb vertelt Kousbroek over zijn bezoek aan het museum  in Hiroshima dat gewijd is aan de atoombom aanval. Daarin geeft hij blijk van zijn irritatie over het zijn inziens Japanse gebrek aan besef of interesse in de geschiedenis die uiteindelijk tot de atoombom leidde. Hij schrijft:

“Over dat museum, waar de voorgeschiedenis van het werpen van de bom niet verder teruggaat dan het opstijgen van de Enola Gay […]”

Als Kousbroek nog in leven was zou ik hem vragen hoe dit verschilt met de westerse perceptie van die geschiedenis. Immers, die gaat niet verder terug dan de aanval op Pearl Harbour of de invasie van Mantsjoerije. De periode die daar aan vooraf gaat, als men daar al aandacht aan besteedt, wordt gevuld met een deels uit projectie opgebouwde fantasie over een roofzuchtig volk dat uit is op de verovering van de wereld. Het hoe en waarom Japan kwam tot waar het was in 1937 toen het botste met de nationalistische troepen in Shanghai laten zich niet verklaren door simplificaties als een samenzwering om de wereld te veroveren. Dat is iets uit stripverhalen of James Bond films. Ik vermoed dat een objectieve analyse een ongewenst licht zou kunnen werpen op het doen en laten van de westerse grootmachten in Azië en daarom het verhaal bewust of onbewust wordt versimpeld. Ik had verwacht dat Kousbroek door zo’n simplificatie heen had geprikt.

In de geschiedenis zoals wij het in het Westen vertellen en geloven ontbreekt een belangrijk onderdeel; het kader waarin die geschiedenis gezien moet worden. Ik bedoel het imperialisme van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw dat Afrika en Azië opdeelde en, analoog aan de Bijbel, die stelde dat de mens de heerschappij over de dieren werd gegeven, dicteerde dat de blanken superieur waren en het recht, ja, zelfs de plicht hadden de niet-blanke volkeren te overheersen. Kennelijk schamen we ons als geheel zo erg voor dat deel van onze geschiedenis dat het nauwelijks aandacht krijgt en slechts af en toe, als ware het een voetnoot van de geschiedenis, wordt genoemd. Omdat het is weggestopt en vaak weggelaten in het vertellen krijgt die geschiedenis een tweedimensionaal karakter. Het wordt een stripverhaal waarin de nobele blanken en hun handlangers na een periode van lijden de moordlustige jap in een heroïsche strijd verslaat en hem zijn rechtmatige plek toe wijst: onderworpen aan de moreel en cultureel superieure westerlingen.

Het is westerse imperialisme dat Afrika en Azië opdeelde in kolonies en invloedssferen en dat Japan in eerste instantie een plaats in een van de laatst genoemde sectoren had toe bedacht. Maar Japan, om aan dat lot te ontkomen, leerde de methodiek van zijn belagers en dwong hen het als gelijke te erkennen. En dat laatste past niet goed in de ideologie van de white man’s burden. De westerse grootmachten dwarsboomden Japanse ambities op het Chinese vasteland. [1]

Westerse grootmachten Frankrijk, Duitsland en Rusland pakten middels de Triple Intervention de door de Ch’ing dynastie afgestane gebieden af met een schijnheilig smoesje. Bovendien werden de Japanse belangen op allerlei manieren en intriges gedwarsboomd. Door de Chinese nationalisten met geld, materiaal en militair te steunen was Amerika de facto deelnemer in het conflict op het Chinese vasteland, maar het hing de vermoorde onschuld uit toen het door Japan werd aangevallen. De hypocrisie zit hem in het feit dat de Verenigde Staten nooit een dergelijk inmenging in de eigen achtertuin, te weten Latijns Amerika, zou tolereren of heeft getolereerd. De plaatsing van Soviet militair materieel op Cuba was voor Kennedy een rechtvaardiging om te dreigen met een nuclear response. In de 19e eeuw bond het de strijd aan met Spanje om het uit die achtertuin te verjagen. Zo bezien heeft Japan veel geslikt van zijn collega imperialisten. Er zijn duidelijke paralellen tussen Mantsjoerije in de dertiger jaren van de vorige eeuw en het gebeuren in het Chili van Allende. En toch is het Japan die blijvend het beeld van aggressor krijgt opgeplakt.

Kousbroek schrijft wat hij een opwelling op de vragen van het museum enquêteformulier noemt:

“I like peace very good, zou je op zo’n formulier willen schrijven. Japan make war. Much people die. Atom bomb make peace. How about peace?”

Ja, Japan voerde oorlog - その通りです sono tōri desu! Dat klopt, maar er waren meer deelnemers aan die oorlog en niet tegenstaande wat de oorlogspropaganda aan beide kanten suggereerde was het het niet een zaak van goeden tegen de kwaden, zwart en wit. Japan was niet de enige imperialist op het Chinese vasteland en niet de enige die er belangen had.  Dat veel mensen stierven is ook een gegeven, maar de vraag is wie is verantwoordelijk? Moreel gezien is oorlog per definitie verwerpelijk en slechts onder een paar voorwaarden enigszins te rechtvaardigen: zelfverdediging of als men in grijpt bij een dreigende genocide. Ik laat hier in het midden of een van bovengenoemde redenen op Japan’s optreden van toepassing is, maar ga er voor nu uit van de oorlog die er was. De geallieerden, i.c. Amerika, hadden moeten stoppen met de vijandelijkheden op het moment dat Japan aan bood te onderhandelen. How about peace, indeed. Dat had vele doden voorkomen. Zowel aan geallieerde als aan Japanse zijde. Op dat moment was Japan praktisch verslagen en rustte op de geallieerden de morele plicht om levens te sparen en niet door te gaan met militaire operaties. Voorbij dat punt is de verantwoordelijkheid voor alle doden die vielen voor de morele rekening van Amerika en zijn bondgenoten.

De eis tot onvoorwaardelijke overgave en het opleggen van een andere staatsbestel hebben een ideologische basis en zijn volgens het internationaal recht èn moreel niet te rechtvaardigen. Het zegt immers dat het westen beter, verheven is boven Japan. De hier gehanteerde maatstaf van superioriteit is geworteld in de white men’s burden, net als de rancune die tot op de dag van vandaag leeft.

Velen denken dat de atoombom geïnterneerden het leven heeft gered door de oorlog te bekorten of door een vermeend Japans plan tot massamoord te voorkomen. Het laatste is aantoonbaar onzin. Niet alleen is er geen aannemelijk motief voor een dergelijk plan, het ontbreken van een eenduidige leiding kenmerkend voor het Japanse leger, en ik zou zeggen de Japanse autoriteiten in het algemeen [2], en het ontbreken van de benodigde logistiek en middelen om een derglijke plan tot uitvoer te brengen laten de onmogelijkheid van zo’n plan, laat staan de uitvoering daarvan, zien. Er is geen enkel bewijs dat wie dan ook in de Japanse leiding ook maar aan zo iets heeft gedacht. Het plan tot massamoord dat de Japanners in de schoenen wordt geschoven is een verzinsel om de moord op honderdduizenden burgers in Nagasaki en Hiroshima voor het eigen geweten te rechtvaardigen. Wat het bekorten van de oorlog betreft, de oorlog had al eerder beëindigd kunnen zijn als men het redden van mensenlevens boven de ideologie had gesteld. Maar dat, zoals o.a. Irak ons leert, gebeurt nooit. 

En heeft de atoombom, zoals Kousbroek voorzichtig stelt, er voor gezorgd dat hij de oorlog heeft overleefd? Voor zijn geweten en het geweten van velen is dat een geruststellende gedachte. Maar meer dan ongegronde speculatie is het niet. Je kan ook stellen dat indien de Amerikanen hadden onderhandeld de oorlog eerder was afgelopen. Sterker nog, als de Amerikanen in 1941 integer waren geweest en het Japanse aanbod om zich terug trekken tot Mantsjoerije hadden geaccepteerd was er geen oorlog geweest. Indië en andere delen van Zuidoost Azië zouden niet bezet geweest als Nederland en Engeland hun afspraken en verdragen met Japan hadden gerespecteerd en waren nagekomen.

Kousbroeks opmerking dat Japanners geen gevoel voor humor hebben en dat ze daarom niet in staat zijn te relativeren heeft een zweem van paternalisme. Alsof er maar een en enige soort humor bestaat; humor waarvan de definitie bepaald is door het westen. De schrijver en literaire criticus Yoshida Kenichi schreef over Japanse humor:

[…] One should rather stress the point that Japanese humour delights in the familiar, of the sort that throws light on the mechanism of living. […] [3]

Dat geeft m.i. aan dat Japanse humor niet veel anders is dan westerse humor.  Ik denk dat barrières van taal en culturele optiek voor vertekening en wederzijds onbegrip zorgen. Yoshida:

[…] To put it crudely, for us, so many western jokes lack the final twist that makes a joke seem like a joke. [4]

De relativering is er wel degelijk, maar superioriteitsgevoelens verhinderen het zicht daarop. Of liever, in Kousbroeks eigen woorden, de culturele verschillen waardoor volkeren van elkaar denken dat ze kinderlijk zijn doen dat. En ik kan alleen maar concluderen dat het in dit geval ook voor Kousbroek geldt.
====================================================================
1. The Survey of International Affairs for 1920 -1923

2. Het geklungel rond de Fukushima kernreactor is m.i. een sterke aanwijzing hiervoor.

3. Yoshida, Kenichi, Japan Is a Circle, Paul Norbury Publications Ltd., London, 1975, p. 9

4. Ibid, p.10

Wishful History

 Dwalend over het net kwam ik het navolgend stukje proza tegen:

 

Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 brak een zeer chaotische periode aan, de Bersiapperiode, hierin streed Indonesië voor haar onafhankelijkheid.

Door de Japanse wapenoverdracht was het militaire en politieke zwaartepunt op Java ten gunste van de Republiek verschoven, de pemuda’s wilden Nederlanders en Indische interneren in kampen die onder Indonesisch toezicht kwamen, dit luidde tegelijk de terreur van de Bersiap in.

 

De Japanners zagen in dat het geweld ook tegen hen begon te keren, i

n enkele gevallen vochten zij zelfs zij aan zij met de Nederlanders tegen de Indonesiërs. Bekend zijn de slagvelden bij Lembang, Semarang, de Baloegevangenis waar uit wraak vele Japanners op wrede wijze vermoord zijn.Soerabaja was eind oktober in handen gevallen van de pemuda’s, waar zij in alle wreedheid honderden Japanners en Nederlanders om het leven brachten.

http://www.darahketiga.nl/?cat=39

 

 

Niet bezwaard door enige drang tot verificatie middels raadpleging van gezaghebbende bronnen wordt hier geschiedenis herschreven. Of anders gesteld, er wordt naar een bepaald gewenst beeld van die geschiedenis toe geschreven. Het moet passen in het beeld dat men heeft en koestert. Natuurlijk is dit niet de visie van echte historici en meer iets wat je een subcategorie van het soort urban legend  zou noemen. Een variatie van het broodje-aap verhaal, zeg maar. Dus waar maak je je druk om? Het vervelende is dat deze en soortgelijke visies het algemene beeld lijken te beinvloeden. Zelfs gezagsdragers en opiniemakers debiteren dit soort halve en hele onwaarheden als je de redes uitgesproken op herdenkingen e.d. beluistert.

Ik kan het juist daarom niet nalaten om deze visie te leggen naast gedocumenteerde feiten en getuigenissen van mensen die “er bij waren”. Gelukkig zijn die getuigenissen nog bewaard gebleven. (http://geschiedenis.vpro.nl/artikelen/39588911/  met name deel 3 is in dit verband interessant). Opvallend hoe het bovenstaande verhaaltje op belangrijke punten afwijkt van die getuigenissen. Nu zijn getuigenissen op zich niet per definitie gezaghebbend, maar als  die getuigenissen elkaar min of meer bevestigen en\of aanvullen, dan kan men hen, mits ze onafhankelijk van elkaar gegeven zijn zoals in de documentaire van Jan Bosdriesz, enige geloofwaardigheid aan toe kennen.

 

Een andere belangrijke bron die ik heb geraadpleegd en die ik van harte kan aanbevelen is Han Bing Siong, The secret of major Kido; The battle of Semarang, 15-19 October 1945. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 152 (1996), no: 3, Leiden, 382-458.  Han Bing Siong is getuige van de gebeurtenissen die zich in Semarang hebben afgespeeld. Bovendien heeft  hij een aantal direct betrokkenen (waaronder majoor Kido) geinterviewed of anderszins contact  met hen gehad. Han gaat in detail in op de gebeurtenissen en legt de verschillende verslagen over wat er toenertijd heeft plaats gevonden  naast elkaar. Haarfijn laat hij zien waar die verslagen elkaar tegenspreken en waar ze elkaar bevestigen, waarbij hij sommige aannames en verhalen over die gebeurtenissen weet te weerleggen. Hij schetst een beeld die geloofwaardig is en haaks staat op het hier boven geciteerde stukje proza.

 

Het citaat suggereert dat de Japanners al hun bewapening hadden afgegeven. Het spreekt immers van de Japanse wapenoverdracht, alsof het een algemene, en misschien wel,  officiele gebeurtenis was. Han beschrijft een veel gecompliceerder proces waaruit naar voren komt dat de nationalisten hun wapens niet zonder meer van de Japanners kregen overhandigd. Het kostte hen veel moeite om aan wapens te komen en ze kregen zeker niet de gehele Japanse bewapening te pakken.

De Japanners waren over het afgeven van hun wapens verdeeld: Nakamura Junji, commandant van centraal Java was voor een bewapening van tenminste de Indonesische politionele macht, maar Majoor Kido Shinichiro, die het bevel voerde over de troepen in Semarang, hield zich aan de code van het Japanse leger, namelijk dat wapens met het keizerlijke embleem niet worden afgegeven. Wat de pemuda’s in handen kregen waren de wapens die op het voormalige KNIL zijn buitgemaakt. Het Japanse opperbevel had verboden om wapens af te geven en had daarbij zelfs de instructie gegeven die desnoods met geweld te verdedigen. De Japanse PETA intructeur Tsuchiya vertelde hoe hij in het kader van het geallieerde bevel om de status quo te handhaven (dus de nationalisten geen ruimte te geven) de wapens van zijn pupillen weer in nam (zie deel 2 van Jan Bosdriesz documentaire “Ons Indie”). In een interview bevestigde Adam Malik dit indirect (deel 2). Het was met name de marine, die sympathiek stond tegenover de nationalisten en hen steunde,  die wel wapens – zij het min of meer onder druk van de nationalisten –  had afgegeven. Ook Nakamura werd eveneens onder druk van zijn wapens ontdaan.  Over het algemeen rijst er een beeld van de ex-bezetters die zich moesten schikken in hun nieuwe rol: die van orde handhavers. Dit ging voor een belangrijk deel in tegen hun oorspronkelijk beleid, namelijk de Indonesische natonalistische gevoelens als wapen inzetten tegen de verwachte invasie legers. De omslag was nogal abrupt zodat er zich hier en daar verwarring en onzekerheid meester maakten van de Japanners. Maar officieren als Kido gehoorzaamden het gegeven bevel van het hoofdkwartier. Han weet aan te tonen dat Kido dit uit plichtsbetrachting deed.

 

In en rond Semarang was er zeker geen sprake van “zij aan zij vechten” met de Nederlanders. Er waren namelijk geen Nederlandse troepen of ueberhaupt Nederlanders die in staat waren te vechten op dat moment. Er was slechts een handjevol Engelsen. Het waren alleen de Japanse troepen o.l.v. majoor Kido die slag leverden met de Indonesiërs, de omsingelde interneringskampen ontzetten en de (ex-)geïnterneerden beschermden (zie de getuigenissen in de documentaire van Jan Bosdriesz). Het was de kempeitai (sic) onder leiding van kapitein Wada Kunishige i.s.m. een peleton van de Morimoto Butai die de Bulu gevangenis bestormden (dus niet de “Baloegevangenis” zoals gesteld). Later is Wada door die zelfde Nederlanders ter dood veroordeeld en neergeschoten. Waar een klein land klein in kan zijn. Het waren voornamelijk Japanners die in de Bulu gevangenis werden omgebracht. En niet “honderden Japanners en Nederlanders ” zoals er in het citaat stond. de bestorming van de gevangenis door de kempeitai voorkwam naar alle waarschijnlijkheid een slachting onder de Nederlanders. Overigens wisten de Japanners pas nadat ze de gevangenis hadden veroverd dat er velen van hun landgenoten waren omgebracht. 

 

Al met al blijft het interessant om te zien hoe de geschiedenis, gefilterd door vooroordelen en  gestuurd door de wens om het anders te laten zijn dan het was, wordt gekneed en veranderd zoals in bovenstaand stukje en het wishful thinking wordt i.p.v. een integere weergave van de gebeurtenissen.

Op onderstaande foto is majoor Kido uiterst rechts te zien.

 major-kido2

Japan en de overlevering

Denkers zoals Marx en Hegel zagen geschiedenis als antropomorfe entiteit die het lot der mensheid volgens een wetmatig schema bepaalde. Wat ze eigenlijk deden was iets metafysisch creëren ter vervanging van de christelijke god. Maar geschiedenis is noch rationeel, noch antropomorf. Het heeft ook niets metafysisch. Hoewel er zich schijnbaar cycli volgens een bepaald patroon voordoen, denk ik dat het meer te maken heeft met het chronische geheugenverlies waarmee de mensheid behept is dan met een mystiek patroon.

Geschiedenis bestaat bij de gratie van overlevering, mondeling of schriftelijk, maar het leeft ook in de herinneringen van het collectief. En dat is op z’n best gebrekkig te noemen. Wat er aan steen, hout, metaal en papier is toevertrouwd is geen objectieve vastlegging van gebeurtenissen; beïnvloed en gestuurd als het is door de tijdgeest, de contemporaine waarden en normen en suspecte motieven. Al is het alleen maar vanwege het bange besef van de geschiedschrijver dat een nog niet geboren generatie over zijn schouder meeleest. Geschiedenis is een dynamisch, continu veranderend verschijnsel en niet zelden vals. Want we kunnen niet weten wat er is gebeurd anders dan via de onbetrouwbare herinneringen van het collectief en de niet zelden misleidende vastlegging in schrift, schilderijen, illustraties en andere beelden, bewegend of statisch. Daarbij komt nog dat de context, omdat die op het moment van documentatie als algemeen bekend, dan wel voor de hand liggend wordt beschouwd, zelden of nooit in die vastlegging wordt meegenomen. Het vanzelfsprekende karakter van de context verdwijnt in de loop der tijd. Net als uiteindelijk de context zelf, zodat het geschrevene voor de navolgende generaties een ander aspect krijgt en naarmate de tijd verstrijkt een andere waarheid wordt. We hebben dus geen objectieve maatstaf die aangeeft wat echt is en wat niet. We kunnen proberen, tussen de regels lezend, een reflectie van de gebeurtenissen te destilleren. En zelfs daar worden we door onze cultureel bepaalde vooringenomenheid en andere vooroordelen niet zelden op een verkeerd been gezet.

Geschiedenis is een detective verhaal, een puzzel en de historicus de speurder. Wat is waar? En wat niet? Het wordt een kwestie van afstrepen, vergelijken en controleren. Als een goudzoeker die zand zeeft op zoek naar klompjes feiten. Een valkuil is de eigen perceptie gekleurd door vooroordelen. Wat doet hij met feiten die ingaan tegen het beeld dat altijd bestaan heeft? Wat is zijn reactie als een idee gelogenstraft wordt door een klompje feiten dat in de zeef achter blijft? Ik hoop dat de historicus altijd die feiten zijn beeld van de geschiedenis laat bepalen. Ook al stuit het hem tegen de borst.

Dat brengt mij bij het recente oorlogsverleden van Japan; met name dat stukje oorlogsverleden dat hier in Nederland een merkwaardig leven is gaan leiden: de bezetting van Nederlands Indië en haar nasleep. Want het beeld hiervan lijkt voor een groot deel bepaald door vooroordelen, resten hardnekkige oorlogspropaganda, verbloemen van de eigen tekortkomingen en een latent racisme. Als de eerder genoemde goudzoeker ging ik graven en zeven en in tegenstelling tot de meeste echte goudzoekers vond ik vele klompjes en klompen die erom vroegen het tot nu toe geschetste beeld niet zo maar te vertrouwen. Ze zetten bij de verhalen die over die tijd nog steeds verteld worden een aantal vraagtekens. En die verhalen doen niet alleen de ronde in beperkte familiekring of bij groepen gelijkgestemden al dan niet in vereniging, maar luisterend naar uitspraken van sommige gezaghebbers lijken die verhalen ook bij hen het beeld van deze periode te bepalen.

175px-leonardgsiffleet1

Het vaak getoonde beeld van Japan in oorlog

Japan viel onrechtmatig Nederlands Indië binnen, dreef veelal de blanke, Europese bevolking in concentratie kampen om hen daar in ellendige omstandigheden te laten verkommeren, beging daar vreselijke misdaden tegen de menselijkheid en verdomt het om na de oorlog ook maar om sorry te zeggen, laat staan dat ze met schadevergoeding over de brug komt. Hier en daar wordt zelfs een associatie met de vernietigingskampen van de nazi’s niet geschuwd en wordt Japan als een Aziatische filiaal van het Derde Rijk neergezet. Japan was een goed geoliede duivelse machine die onder leiding stond van de Japanse versie van Hitler: Hirohito die uit was op wereldheerschappij en de vernietiging van alle westerlingen en hun aanhang. Gelukkig dat de dappere Amerikanen een paar atoombommen op Japan hebben gegooid anders hadden die vervloekte Jappen alle blanken vermoord.
Dat is grosso modo het beeld dat bestaat en levend wordt gehouden van die periode. Opvallend is dat het beeld wordt beschermd op het fanatieke af. Een afwijkende visie, ook al wordt die door verifieerbaar feitenmateriaal ondersteund, wordt niet geaccepteerd, ja roept zelfs vijandigheid op. Je vraagt je dan af waar de onwil om een andere visie rationeel te benaderen vandaan komt. En dan heb ik het niet over de reacties van hen die werkelijk onder de Japanners hebben geleden. Vreemd genoeg, kunnen of konden – want velen zijn inmiddels door de tijd ingehaald – zij wel genuanceerd over die gebeurtenissen discussiëren. Het fanatiek vasthouden aan het beeld van de demonische Jap vindt men vaak bij de “erfgenamen”. Mensen die uit tweede en derde hand die tijd en gebeurtenissen kennen. Een overlevering die bestaat uit een amalgamaat van verschraalde oorlogspropaganda, stukjes halfbegrepen persoonlijke ervaringen gekleurd door de tijd en gefilterd door een selectief geheugen. Een halfbakken alibi voor de zucht naar aandacht. Daar is geen ratio tegen gewassen.
Ik richt me dus in eerste instantie op hen die willen weten. De eerste vraag die we ons zouden moeten stellen is: wat is waar? Laten we beginnen met de (on)rechtmatigheid van het binnenvallen van Nederlands Indië door de Japanners. Dat is op zich al een ongemakkelijke combinatie: rechtmatigheid en oorlog. Het is een contradictio in terminis, moreel gezien. Je kan vragen met welk recht de Nederlanders in Indië zaten. Dat “recht” is gezien de oorlogen die gevoerd zijn, beginnend met Coen, en meer recentelijk, van de 19e tot en met het begin, zo niet tot ver in de 20ste eeuw geschreven in het bloed van “den inlander”. Die oorlogen waren zeker niet rechtmatig, nu niet, maar toen ook niet. In de aanloop naar de Atjeh oorlog valt me de overeenkomst met de Vietnam en de Irak oorlogen op; het onder valse voorwendselen een soeverein land binnenvallen is een kenmerk die je bij alle drie oorlogen terug vindt.
Zo bezien heeft Japan het nog netjes gedaan. Immers, het is de regering van Nederlands Indië die het keizerrijk Japan de oorlog verklaarde. Niet omdat Japan Nederland iets had misdaan maar uit solidariteit met de Verenigde Staten vanwege Pearl Harbor. Naar mijn bescheiden mening was dat, gezien de toenmalige internationale en geografische verhoudingen, een niet al te slimme zet. Door de oorlogsverklaring bestond er een staat van oorlog tussen beide landen die door Nederland was geïnitieerd. Op basis daarvan kan je de Japanse invasie van Indië ‘rechtmatig’ noemen.

kempei12011

Groepsfoto van kenpeitai leden met POW’s. En nee, het komt niet van de Japanse propaganda, maar uit een Amerikaanse publikatie over het keizerlijke Japanse leger.

De dissertatie van dr. D. van Velden De Japanse burgerkampen uit 1963 doet vermoeden dat het Japanse interneringsbeleid er een was van ‘grote stappen, gauw thuis’. Het was de uitwerking van een slecht idee door onbekwame en onwetende mensen. De bestuurders die ze aanstelden i.p.v. het Nederlandse kader waren onbekwaam met weinig bestuurlijke kennis. Dit en een beleid van roofbouw op de nieuw verworven kolonie leidde in korte tijd tot chaos en ellende voor de bewoners van Indonesië, in en buiten de kampen. Er moet hierbij wel vermeld worden dat de Japanners geen bekwame mensen naar Indonesië konden sturen. Een schip vol burger bestuurders werd bij Japan getorpedeerd.

Een aspect dat onderbelicht, dan wel buiten beschouwing wordt gelaten in het verhaal van Japanse oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid is de endemische  ongehoorzaamheid van het middenkader t.o.v. het oppercommando. Een eigenzinnig middenkader is een verschijnsel dat kenmerkend voor de Japanse cultuur lijkt te zijn. De figuur van sergant Hara in de film Merry Christmas Mr. Lawrence  is een treffende typering van die eigenzinnigheid. Het maakte het voor het hogere kader moeilijk,  zo niet onmogelijk om grip te krijgen op hun manschappen. Dit hogere kader was vaak wel op de hoogte van de wandaden van hun troepen maar konden daar moeilijk iets tegen doen.   Het heft de Japanse verantwoordelijkheid niet op maar het zou op een andere manier dan tot nu toe gangbaar gewogen moeten worden.

Een beoordeling van de Japanse schuld zou tezamen met die van alle koloniale grootmachten moeten gebeuren. En hier zit de kneep. Want als we dat doen moet ook Nederland met de billen bloot. De veroveringsoorlogen en genocide bedreven door de VS op de Indianen en Philippijnen moeten dan ook tegen het licht gehouden worden. En daar zat en zit niemand uit die groep op te wachten. Het is makkelijker om Japan in de categorie nazi misdadigers te stoppen. Op die manier wordt de aandacht van de oorlogsmisdaden tegen dat land, zoals de atoombommen op Nagasaki en Hiroshima en het platbranden van Tokyo, weg gehouden.
De Japanse militairen hebben zich schuldig gemaakt aan misdaden tijdens de bezetting. Diefstal, moord, mishandeling, verkrachting, gedwongen prostitutie en roof hebben allemaal plaats gevonden. Maar ik  zie in deze zaken geen verschil met de daden van andere bezettingsmachten in het verleden. Deze zaken werden zeker niet door het hogere kader goed gekeurd en soms zwaar bestraft. In zijn boek  Het vermoorde land verhaalt Jan Bouwer van het neerschieten van een paar Japanse soldaten door een van hun eigen officieren omdat ze een Nederlands meisje hadden aangerand. Niet alleen dat, hij liet de lijken te afschrikking nog een  dag liggen. Er is ook het gedocumenteerde incident van generaal Yamashita Tomoyuki die een officier en enkele soldaten terecht liet stellen voor wandaden gepleegd in in een Singaporees ziekenhuis. Hij heeft bovendien persoonlijk zijn verontschuldigingen aangeboden aan de overlevenden van die misdaad. Dat maakt het niet goed maar vraagt wel om een meer genuanceerd oordeel dan men tot nu toe bereid is te geven. Het geeft ook aan dat het niet een van hoger hand bevolen beleid was zoals dat in nazi Duitsland wel het geval was.

Waarom erkent Japan geen schuld en komt ze niet met haar geschiedenis in het reine zoals velen (buiten Japan) eisen? Ik denk dat zij die dat constant roepen doof zijn en een verkokerde visie hebben. Japan heeft zijn excuses ontelbare malen middels vele hoogwaardigheidsbekleders, te beginnen met de huidige keizer, aangeboden. Dat ze niet altijd worden aangenomen is een andere zaak. Japan heeft ook erkend de oorzaak van veel leed te zijn geweest en heeft het militarisme, de veroorzaker van alle ellende, uitgebannen. Ze heeft zelfs haar leger weggedaan. Wat moet Japan verder nog erkennen? Dat ze de superieure blanke van zijn troon heeft gehaald? Dat ze het in haar hoofd heeft gehaald om de blanke tuan besars van Azië als koelies te laten werken en creperen zoals de tuans dat met hun bruine broeders voor de Japanse bezetting deden? En (de meest gehoorde klacht) hen voor zich liet buigen? Men wil dat Japan de versie van de geschiedenis geschreven door haar voormalige vijanden en slachtoffers accepteert. Ik denk dat geen enkel land zich de geschiedenis door een ander laat voorschrijven. En zeker niet door hen die het recentelijk heeft verslagen en overheerst. Nederland accepteert ook de Indonesische versie van het gemeenschappelijk verleden niet. Dat blijkt al uit het gehannes met de datum waarop de onafhankelijkheid van de Indonesische republiek is uitgeroepen. Het lijkt me daarom onredelijk om dat van Japan te eisen. Dat sluit overigens een rationele discussie over de interpretatie van die geschiedenis niet uit.


Het gekrakeel over de bezoeken van Japanse hoogwaardigheidsbekleders aan de Yasukuni tempel, wat  een eerbetoon zou zijn aan oorlogsmisdadigers die daar gedenktekens hebben, heeft een schrille, nogal hypocriete toon. Want wie waren de misdadigers? De manier waarop de overwinnaars na de oorlog de misdaden vervolgden was dubieus. De processen tegen de Japanse generaals Yamashita en Honma waren een aanfluiting van het recht in het algemeen en van het Angelsaksische recht in het bijzonder. Yamashita is berecht, veroordeeld en geëxecuteerd door het Amerikaanse leger en niet door een internationaal tribunaal. Het zelfde Amerikaanse leger dat door Yamashita grote verliezen leed bij de herovering van de Philipijnen. Er was zelfs geen schijn van onpartijdigheid in deze rechtszaak. Het proces tegen hem schond  alle fundamentele regels van de Amerikaanse rechtsvoering door getuigenissen uit tweede en zelfs derde hand toe te laten: het zgn. hearsay. Iets wat  niet kan en al helemaal niet in zaken waarin de doodstraf geëist kan worden. Dit overkwam ook generaal Honma. Het is ook geen toeval dat het juist deze twee generaals zijn die McArthur hebben vernederd: de een door hem uit de Philipijnen te jagen en de ander door hem een hoge prijs te laten betalen voor de herovering van die eilanden. McArthur’s meglomanie  in aanmerking genomen en het bedenkelijke karakter van de gevoerde processen leiden mij tot de conclusie dat er sprake was van een ordinaire wraakoefening. Of  zoals een Supreme Court justice stelde ‘een gelegaliseerde lynchpartij’. Als men de zgn.  ‘Yamashita standaard’ die zijn proces heeft opgeleverd, te weten: dat een bevelhebber altijd verantwoordelijk is voor de misdaden van zijn ondergeschikten ook al was hij er niet van op de hoogte, op alle partijen zou toepassen dan zouden er nog een flink aantal regeringeringsleiders moeten worden berecht c.q. geexecuteerd.


Van het hier en daar gesuggereerde uitroeiingsplan dat de Japanners t.a.v. de blanken zouden hebben is geen sprake. (Tijdens het proces tegen Yamashita kwam er ook een Philippijnse variant om de hoek kijken). De Japanners zaten met die geïnterneerden in hun maag . Het liefst hadden ze hen teruggestuurd naar het land van herkomst. Aangezien dat door oorlogsomstandigheden niet mogelijk was werden ze uit het zicht opgeborgen. Het feit dat men in veel kampen de eerste tijd geen Japanner heeft gezien wijst daarop; men wilde er niets mee te maken hebben als het enigszins kon. Het zgn. Japanse uitroeiingsplan lijkt me een zaak van projectie: zoals de waard is, zeg maar.


Waren de Japanners miskende lieverdjes? Nee. Geen enkel leger dat een veroveringsoorlog voert bestaat uit lieverdjes. Ook aan de kant van de geallieerden zijn op grote schaal ernstige oorlogsmisdaden begaan. Maar, zoals veel Japanners na de oorlog enigszins wrang opmerkten, de overwinnaar bepaalt wat een oorlogsmisdaad is. Weinig mensen die je de vrijwel ongecontroleerde macht geeft over andere mensen, daarbij direct of  indirect vertellend dat die mensen minderwaardig zijn, blijven lieverdjes, als ze dat al waren. Het Nederlandse koloniale verleden laat daartoe bewijzen te over zien.

Over het algemeen is het gedrag van de Japanse soldaten t.o.v. gevangenen en burgers tijdens de WWOII ronduit slecht en verwerpelijk te noemen. Het is een probleem waar generaals als Yamashita mee worstelden en niet   onder controle kregen. M.i. wordt dit veroorzaakt door de versnippering van macht die kenmerkend is voor de Japanse sociale structuur. Dat neemt de Japanse schuld niet weg maar werpt een ander licht op het verschijnsel dan wat de hardnekkige restanten van antieke oorlogspropaganda ons willen doen geloven:  dat wreedheid inherent is aan de Japanners en hun cultuur. Waarmee ik wil zeggen dat de Japanners wreed waren, maar niet wreder dan de rest van de mensheid.


Het was niet overal slecht; het varieerde, afhankelijk van de commandant en plaats. Zo kon het zijn dat er na de oorlog Japanse militairen als oorlogsmisdadigers – al dan niet terecht, maar dat terzijde – terecht werden gesteld, maar ook met complimenten overladen naar huis werden gestuurd. De commandant van het Changi krijgsgevangenen kamp is van het laatste een voorbeeld. Vele jaren naar de oorlog is zijn de slechte voorbeelden blijven hangen, aangedikt en bepalend geworden voor de beeldvorming. Dusdanig dat er voor de goede voorbeelden geen plaats meer wordt gemaakt. Ze worden weggestopt of simpelweg niet erkend.


Maar er is nog iets anders aan de hand. Iets wat eigenlijk nooit genoemd wordt: racisme. Het feit dat de Japanse agressor een Aziaat was die de gevestigde blanke koloniale machten versloeg en daarmee het beeld van de superieure blanke te niet deed. Het laatste leidde uiteindelijk tot het verlies van zijn koloniën. Ik vermoed dat dat de misdaad is waarvoor Japan geen sorry wil zeggen. Voor de rest heeft Japan overigens wel sorry gezegd. Zie http://www.mofa.go.jp/j_info/japan/opinion/umezu.html

 

Leden van de kempeitai verbinden een krijgsgevangene. Deze foto komt uit Amerikaanse bronnen en is zover mij bekend niet voor Japanse propaganda doeleinden gebruikt.

Leden van de kenpeitai verbinden een krijgsgevangene. Deze foto komt uit Amerikaanse bronnen en is zover mij bekend niet voor Japanse propaganda doeleinden gebruikt.